Тестування
Vraag 1 / 20
Kleding
A1
Wat draag je aan je voeten?
A
Een muts
B
Schoenen
C
Een riem
D
Een bril
Vraag 2 / 20
Onregelmatige werkwoorden
A1
Wat is het voltooid deelwoord van "hebben"?
A
had
B
heeft
C
gehad
D
heb
Vraag 3 / 20
Tijd
A1
Hoeveel maanden zitten er in een jaar?
A
10
B
12
C
4
D
24
Vraag 4 / 20
Tijd
A1
Wat is de kortste maand?
A
Januari
B
Februari
C
Maart
D
April
Vraag 5 / 20
Eten en Drinken
A1
Wat is een "appel"?
A
Groente
B
Fruit
C
Vlees
D
Brood
Vraag 6 / 20
Familie
A1
Wat is "kleinkind"?
A
Онук/Онука
B
Племінник
C
Дитина
D
Сусід
Vraag 7 / 20
Onregelmatige werkwoorden
A1
Wat is de verleden tijd van "willen"?
A
wil
B
wilde / wou
C
gewild
D
wilt
Vraag 8 / 20
Kleding
A1
Wat draag je op je hoofd?
A
Schoenen
B
Een hoed of muts
C
Een broek
D
Een trui
Vraag 9 / 20
Rekenen en Cijfers
A1
Hoeveel is 100 min 50?
A
10
B
50
C
150
D
20
Vraag 10 / 20
Rekenen en Cijfers
A1
Hoe noem je een vorm met vier gelijke zijden en vier rechte hoeken?
A
Een cirkel
B
Een vierkant
C
Een driehoek
D
Een ster
Vraag 11 / 20
Kleding
A1
Wat is een "rok"?
A
Kleding voor mannen aan hun hoofd
B
Een kledingstuk voor vrouwen (onderlichaam)
C
Schoenen
D
Een jas
Vraag 12 / 20
Onregelmatige werkwoorden
A1
Wat is de verleden tijd van "worden"?
A
wordt
B
werd
C
geworden
D
word
Vraag 13 / 20
Natuur en Milieu
A1
Wat is "sneeuw"?
A
Warm water
B
Wit en koud uit de lucht (winter)
C
Gras
D
Zand
Vraag 14 / 20
Kleding
A1
Wat is "rood"?
A
Een maat
B
Een kleur
C
Een stof
D
Een merk
Vraag 15 / 20
Verkeer
A1
Wat is een "auto"?
A
Een voertuig met vier wielen
B
Een boot
C
Een vliegtuig
D
Een fiets
Vraag 16 / 20
Dagelijkse handelingen
A1
Wat doe je in de supermarkt?
A
Slapen
B
Boodschappen doen
C
Zwemmen
D
Werken
Vraag 17 / 20
Gezondheid
A1
Waar koop je medicijnen zonder recept?
A
Bij de supermarkt of drogist
B
Bij de bakker
C
Bij de garage
D
Bij de bibliotheek
Vraag 18 / 20
Emoties
A1
Wat is "boos"?
A
Lachen
B
Niet blij zijn en soms roepen
C
Slapen
D
Eten
Vraag 19 / 20
Emoties
A1
Hoe voel je je als er iets engs gebeurt?
A
Blij
B
Bang
C
Boos
D
Moe
Vraag 20 / 20
Familie
A1
Wie is je "partner"?
A
Je vijand
B
De persoon met wie je een liefdesrelatie hebt
C
Je leraar
D
Je dokter
🏆
Resultaten
0
/
20