Тестування

Vraag 1 / 20
Dagelijkse handelingen A1

Wat doe je in de douche?

A Koken
B Je wassen
C Slapen
D Tv kijken
Vraag 2 / 20
Gezondheid A1

Wat is "keelpijn"?

A Pijn in je hoofd
B Pijn bij het slikken (in je keel)
C Pijn in je teen
D Pijn in je oor
Vraag 3 / 20
Eten en Drinken A1

Wat is "soep"?

A Vast eten
B Vloeibaar warm eten
C Brood
D Fruit
Vraag 4 / 20
Dagelijkse handelingen A1

Wat doe je in een "bed"?

A Werken
B Slapen
C Douchen
D Koken
Vraag 5 / 20
Weer A1

Wat is wit en koud en valt in de winter?

A Regen
B Sneeuw
C Zand
D Bladeren
Vraag 6 / 20
Dagelijkse handelingen A1

Wat doe je in de supermarkt?

A Slapen
B Boodschappen doen
C Zwemmen
D Werken
Vraag 7 / 20
Onregelmatige werkwoorden A1

Wat is de verleden tijd van "eten"?

A eet
B at
C gegeten
D eten
Vraag 8 / 20
Wonen en Buren A1

Waarmee maak je de deur open?

A Met een hamer
B Met een sleutel
C Met een stoel
D Met een bord
Vraag 9 / 20
Familie A1

Wat is een "stamboom"?

A Een boom in de tuin
B Een overzicht van je familiegeschiedenis
C Een type plant
D Een bos
Vraag 10 / 20
Onderwijs en Kinderen A1

Wat krijg je als je klaar bent met een opleiding en je examens hebt gehaald?

A Een boete
B Een loonstrook
C Een diploma
D Een recept
Vraag 11 / 20
Wonen en Buren A1

Waar staat het bed?

A In de keuken
B In de slaapkamer
C In de douche
D In de kelder
Vraag 12 / 20
Vrije tijd en Sport A1

Wat doe je met een "gitaar"?

A Voetballen
B Muziek maken
C Eten
D Schoonmaken
Vraag 13 / 20
Onregelmatige werkwoorden A1

Wat is de verleden tijd van "gaan" (hij)?

A gaat
B ging
C gegaan
D ga
Vraag 14 / 20
Eten en Drinken A1

Wat is een typisch Nederlands drankje?

A Koffie
B Melk
C Thee
D Alle drie
Vraag 15 / 20
Onregelmatige werkwoorden A1

Wat is de verleden tijd van "kopen"?

A koopt
B kocht
C gekocht
D koop
Vraag 16 / 20
Dagelijkse handelingen A1

Wat doe je met een handdoek?

A Eten
B Je afdrogen
C Slapen
D Schrijven
Vraag 17 / 20
Boodschappen en Geld A1

Hoeveel is 50 "cent"?

A Halve euro
B Hele euro
C Twee euro
D Tien euro
Vraag 18 / 20
Onregelmatige werkwoorden A1

Wat is het voltooid deelwoord van "zien"?

A zag
B gezien
C geziet
D zagen
Vraag 19 / 20
Natuur en Milieu A1

Welke kleur is het gras?

A Rood
B Groen
C Blauw
D Zwart
Vraag 20 / 20
Familie A1

Hoe noem je opa en oma samen?

A De ouders
B De grootouders
C De tantes
D De broers
🏆

Resultaten

0 / 20

Помилки: