Тестування
Vraag 1 / 13
Boodschappen en Geld
A1
Welke munt gebruiken we in Nederland?
A
Dollar
B
Euro
C
Pond
D
Gulden
Vraag 2 / 13
Boodschappen en Geld
A1
Hoe noem je papiergeld?
A
Munten
B
Briefgeld / Bankbiljetten
C
Pasjes
D
Goud
Vraag 3 / 13
Boodschappen en Geld
A1
Hoeveel is 50 "cent"?
A
Halve euro
B
Hele euro
C
Twee euro
D
Tien euro
Vraag 4 / 13
Boodschappen en Geld
A1
Wat is "gratis"?
A
Heel duur
B
Het kost 0 euro
C
Een beetje geld
D
Alleen voor kinderen
Vraag 5 / 13
Boodschappen en Geld
A1
Wat is een "aanbieding"?
A
Iets wat heel duur is
B
Iets wat tijdelijk goedkoper is (korting)
C
Een nieuw product
D
Een kapot product
Vraag 6 / 13
Boodschappen en Geld
A1
Wat is een "munt"?
A
Papiergeld
B
Metaalgeld (rond)
C
Een creditcard
D
Een rekening
Vraag 7 / 13
Boodschappen en Geld
A1
Wat is een "supermarkt"?
A
Een school
B
Een grote winkel voor eten en spullen
C
Een park
D
Een dokter
Vraag 8 / 13
Boodschappen en Geld
A1
Hoeveel cent is één euro?
A
10
B
50
C
100
D
1000
Vraag 9 / 13
Boodschappen en Geld
A1
Wat is "duur"?
A
1 euro
B
1000 euro voor een brood
C
Gratis
D
Goedkoop
Vraag 10 / 13
Boodschappen en Geld
A1
Wat is "duur"?
A
Iets kost weinig geld
B
Iets kost veel geld
C
Iets is gratis
D
Iets is nieuw
Vraag 11 / 13
Boodschappen en Geld
A1
Wat is "goedkoop"?
A
Het kost veel geld
B
Het kost weinig geld
C
Het is gratis
D
Het is kapot
Vraag 12 / 13
Boodschappen en Geld
A1
Wat heb je nodig om een karretje bij de supermarkt te pakken?
A
Een paspoort
B
Een muntstuk of een fiche
C
Een pen
D
Een boek
Vraag 13 / 13
Boodschappen en Geld
A1
Waar betaal je je boodschappen?
A
Bij de ingang
B
Bij de kassa
C
In het magazijn
D
Bij de bakker
🏆
Resultaten
0
/
13